Jane Leeuwenburgh is voor de Tweede Wereldoorlog, in 1936 in Heinenoord geboren. Zij groeide op in een warm gezin in de Hoeksche Waard, in een tijd van economische crisis, oorlog en wederopbouw, waarin beeldende kunst doorgaans geen aandacht kreeg. Opmerkelijk is dat zij zich geheel op eigen kracht – vaak tegen de gangbare verwachtingen in – wist te ontwikkelen tot een modern beeldend kunstenaar van nationaal niveau. Een kunstenaar die de Hoeksche Waard ontsteeg en tegelijk trouw bleef aan haar Hoeksche Waardse wortels. Daardoor heeft zij een impuls gegeven aan het naoorlogse culturele leven en het kunstbesef in de streek.

De jeugd van Jane Leeuwenburgh speelde zich af in de periode tijdens en na de oorlog en de watersnood, waarin door iedereen erg hard werd gewerkt. Een sobere en ingetogen tijd waarin de mensen nog niet dagelijks via drukwerk, film en TV werden geconfronteerd met een uitbundige stroom aan beelden en zeker geen kleurenbeelden.

In haar kleutertijd speelde Jane liever met haar blokkendoos dan met poppen. De kubus was haar lievelingsspeelgoed, waarmee zij aldoor zat te experimenteren. Als opgroeiend meisje was zij nieuwsgierig naar de technische ontwikkelingen om haar heen. In de jaren 50 brak namelijk een nieuw tijdperk aan. Een tijdperk waarin mobiliteit, mechanisatie, massaproductie en reclame gemeengoed werden, en waarin nieuwe eisen aan verbeelding en vormgeving werden gesteld.

Al op jonge leeftijd leerde Jane bij haar oom, die een timmerfabriek had, allerlei houtsoorten herkennen en bewerken en omgaan met gereedschappen. Jane wilde heel graag meubelmaker worden, want ontwerpen en maken waren haar liefste bezigheden, maar een ambacht werd in die tijd als beroep voor een meisje niet geschikt gevonden. Jane kon beter lerares worden. En zo behaalde Jane haar onderwijsbevoegdheid handenarbeid en tekenen. Met deze achtergrond zette Jane haar eerste stappen als beeldend kunstenaar.

Jane begon als jonge lerares handenarbeid en tekenen in het voortgezet onderwijs in Oud-Beijerland, en tot haar pensionering van de Rijks Scholengemeenschap Oud-Beijerland heeft zij de creativiteit, de handvaardigheid en het oog voor kleur en vormgeving van talloze Hoeksche Waardse jongeren helpen ontwikkelen. Generaties Hoeksche Waardse scholieren zijn mede dankzij deze bijzondere ‘juf’ die tegelijk ‘kunstenaar’ was, in aanraking gekomen met beeldende kunst en vormgeving. Wat vooral in de jaren 60 en 70 in de Hoeksche Waard nog erg bijzonder was. Moeilijke begrippen als esthetiek en kunstzinnigheid werden door deze enthousiaste docente spelenderwijs tastbaar en zichtbaar gemaakt.

Behalve in Oud-Beijerland heeft Jane les gegeven aan het Instituut Bender in Rotterdam.
Ook buiten school richtte Jane zich regelmatig op de jeugd: Op De Beukenhof in Mijnsheerenland – in de jaren 60 hét culturele centrum van de Hoeksche Waard – gaf zij een aantal jaren achtereen lessen tekenen en handvaardigheid, met als doel kunstzinnige vorming voor jongeren uit alle lagen van de Hoeksche Waardse bevolking mogelijk te maken.

In die jaren werkte zij bovendien in een Rotterdams project met kinderen uit sociaal zwakke gezinnen in het Witte Dorp. Afsluitend ging zij dan als leidster met deze kinderen mee op zomerkamp. Jaren achterelkaar heeft Jane enkele uren per week moeilijk lerende kinderen lesgegeven in het kader van het zogenaamde Symbioseonderwijs. Zij vond het heerlijk om de vaak verrassende creativiteit van deze kinderen te stimuleren, hun iets te leren en mee te geven.

Bovendien gaf zij in de regio cursussen handvaardigheid aan volwassenen. Onder hen veel vrouwen, die zij graag meenam op excursie in het kader van de kunsteducatie. Begin jaren 60 gaf zij op verschillende plaatsen in de Hoeksche Waard (o.a. in Strijen, Goudswaard en Oud-Beijerland) les in handvaardigheid aan bestuursleden en leidsters van het Hoeksche Waardse Welfare Werk, die de van Jane geleerde creatieve vaardigheden op hun beurt weer praktiseerden en doorgaven aan zieken en andere groepen in de samenleving. Voor Jane Leeuwenburgh is het heel ‘gewoon’ dat zij al die cultureel- maatschappelijke activiteiten combineerde met haar vaste onderwijsbaan en haar vrije beroep als beeldend kunstenaar.

Als aankomend kunstenaar maakte zij heel veel keramiek.
Vier jaar lang werkte zij één dag in de week in de Potterie van het Benedictijner klooster, de Sint Paulus abdij in Oosterhout. Aanvankelijk had zij een voorkeur voor organische vormen, maar gaandeweg werd haar vormgeving steeds strakker.
Zij ging toen ook met verschillende soorten staal experimenteren.

Pas toen Jane als zelfstandige vrouw in het onderwijs werkzaam was, begon zij de opleiding tot beeldend kunstenaar aan de Academie voor Beeldende Kunsten in Rotterdam te volgen.
Zij specialiseerde zich in het beeldhouwen en ruimtelijk vormgeven, daarbij was de beeldhouwer Gust Romijn haar inspirerende leermeester.

In die periode werkte zij in de voorjaarsvakantie in een beeldhouwersatelier bij de befaamde marmergroeven van Carrara in Italië, net als Michelangelo eind 14de en Henry Moore begin 20ste eeuw hadden gedaan. Na voltooiing van haar opleiding aan de Kunstacademie in 1980 konden haar talenten tot volle ontplooiing komen, en produceerde zij een omvangrijk en veelzijdig oeuvre.

Jane maakte talloze kunstreizen door heel Europa. Ze was en is een bewonderaar van de beeldhouwer Henri Moore en van de architectonische ontwerpen van Bauhaus, De Stijl (met Rietveld & Mondriaan), Frank Lloyd Wright en Le Corbusier. Die voorliefde voor architectuur en geometrische bouwvolumes zullen we ook terugzien in haar werk.

Jane is geschoold en bedreven in alle beeldhouwtechnieken, van sculptuur (afhaaltechniek door kappen, houwen en beitelen, en plastiek (opbouwtechniek door modelleren in klei of was),
tot het brons (giettechniek) en de constructietechnieken (timmeren, smeden en lassen).

Door haar veelzijdig vakmanschap kan zij met een keur van materialen uit de voeten: hout en metalen, glas, perspex, beton, marmer en andere steensoorten.

Zij beheerst de klassieke levensechte vormgeving naar natuurlijk model. Academisch en realistisch.
Hoe Jane steeds probeert vormen terug te brengen tot hun essentie, is goed te zien aan de bronzen ‘dames’ die geïnspireerd zijn op de nonnen in Brugge, uitgevoerd in deels gepatineerd en gepolijst brons. Om uiteindelijk uit te komen op deze bijna geometrische figuren, driehoeken geknipt uit geroest plaatstaal, waarin toch nog acht mensen te herkennen zijn. Zij zijn in een rij opgesteld in het landschap, alsof ze op weg zijn naar een bestemming.

Bekend en geliefd is Leeuwenburgh door haar abstract geometrische ruimtelijke objecten en wandreliëfs, die een zo onpersoonlijk mogelijk karakter hebben, en die uitblinken door eenvoud en zuiverheid van vorm en verhouding. Door vormen terug te brengen tot geometrische elementen en deze in steeds wisselende onderlinge samenhang te ordenen, vertaalt Jane het universum met gebruikmaking van elementaire meetkunde, minimale middelen en primaire kleuren en met een feilloos oog voor vorm en verhouding.
Kleur is voor Jane ondergeschikt aan vorm en lijn. De keuze voor krachtige, heldere onversneden kleuren is dan ook rationeel en wordt alleen toegepast als de essentie van het werk erdoor wordt versterkt.

Zij toont zich vaak een meester van de ‘minimal art’. Door vernuftig bedachte composities, gevarieerde ritmische structuren, technische veelzijdigheid en onverwacht materiaalgebruik weet Jane steeds opnieuw verrassing en spanning in haar werk te leggen.

Opvallend is dat zij graag werkt met tegenstellingen:
volume – massa,
opbouwen – afbreken, concaaf (hol) – convex (bol),
positief – negatief, plus en min, compact tegenover open, begrensd – onbegrensd, waarmee zij maximaal effect van spanning en contrast binnen harmonieuze eenheid weet te bereiken.

Technisch is zij een perfectioniste die alle persoonlijke sporen van bewerking zorgvuldig uitwist.
Daardoor wordt in de techniek en textuur van haar beelden en objecten naar universele volmaaktheid gestreefd.

Jane Leeuwenburgh is lid van de Nederlandse Kring van Beeldhouwers. Zowel samen met die streng geballoteerde ‘kwaliteitskring’ als solo exposeerde zij op vele tentoonstellingen in binnen- en buitenland.
De lange lijst van exposities bewijst echter, dat zij haar eigen thuisbasis, de Hoeksche Waard, ook altijd in ruime mate van haar kunstwerken heeft laten genieten en rijkelijk met stimulerende exposities en kunstinitiatieven heeft bedeeld. Haar werk is ook permanent in openbare gebouwen en in het landschap van de Hoeksche Waard te zien.

Een mooi streekeigen voorbeeld van projecten in het landschap is ‘het Bosman-molentje’. Jane zag al in de jaren 80 dat dit sierlijke poldermolentje karakteristiek is voor het gehele Hollandse laagland. Het molentje, dat in de Hoeksche Waard werd ontworpen en vervaardigd door de firma Bosman, dreigt bovendien uit het landschap te verdwijnen. Verbonden als Jane Leeuwenburgh is met het landschap van de Hoeksche Waard markeerde zij deze monumenten van de Hoeksche Waardse identiteit als iconen op haar eigen manier. Voor het eerst in 1988 toen zij dit poldermolentje langs de Binnenmaas van blauw-witte strepen voorzag, die op de draaiende wieken een ‘bromtol-effect’ geven.
Later verbijzonderde Jane een molentje in Nieuw-Beijerland door op de wieken een strofe van Robert Ankers gedicht ‘Bosman, Piershil’ aan te brengen.

Een onbekend aantal werken is in het bezit van particulieren. Veel van haar grote werken zijn aangekocht door of gemaakt in opdracht van bedrijven en instellingen.

Zij maakte opvallend veel grote kunst-speelobjecten voor scholen, waarbij de combinatie van een esthetisch beeld en verantwoorde praktische toepasbaarheid kenmerkend is voor de pedagoog en de beeldhouwer, die Jane Leeuwenburgh in zich verenigt.

Zowel vanwege haar kunstenaarschap en haar onderwijstaken, als ook door haar maatschappelijke betrokkenheid heeft Jane Leeuwenburgh zich verdienstelijk gemaakt voor het culturele leven en het kunstbesef in de Hoeksche Waard.

Zij werkte actief mee aan het opzetten van talloze kunstmanifestaties binnen en buiten de Hoeksche Waard, en niet alleen wanneer het haar eigen werk betrof.
Als maatschappelijke werkzaamheden op haar vakgebied kunnen nu nog steeds genoemd worden: haar actieve deelname aan de Beeldende Kunstcommissie van de Gemeente Binnenmaas en de organisatie van het Bram Roza Festival ‘Dichter bij de Molen’, de jaarlijkse multidisciplinaire kunstmanifestatie in Nieuw-Beijerland. Door de gemeenten Binnenmaas en Oud-Beijerland wordt zij momenteel zelfs als een soort opzichter en conservator van alle in de openbare ruimte en gebouwen opgestelde kunstwerken ingeschakeld.

Jane Leeuwenburgh behoort tot de eerste generatie van oorsprong Hoeksche Waardse moderne kunstenaars, van wie de betekenis voor het culturele leven in de Hoeksche Waard evident is.

Jane Leeuwenburgh ontving  in 2006 de Cultuur- en Publieksprijs van de Hoekschewaard.

Tekst: Willy Spaan